De dood is een soevereine vorst. Hij legt aan niemand verantwoording af, noch verklaart hij zijn daden anders dan als zijn eigen wil. Hij wordt door niemand in toom gehouden. Ook al denkt de mensheid van wel. Ook al denken WIJ soms van wel.
We mogen denken en willen en hopen wat we kunnen, hij staat boven alles. Geconfronteerd worden met de dood is geconfronteerd worden met de ultiemste vorm van onmacht. Ja, we kunnen pogingen ondernemen om ons leven in eigen handen te nemen, te controleren, in de waan dat we een manier zoeken om om te gaan met het gegeven “dood”. Maar we kunnen alleen omgaan met ons leven.
Er zijn verschillende manieren waarop je je aangekondigde dood beleeft… (nou, daar heb je even een contradictio in terminis ). Er is een plotse vrijheid, alles wordt relatief, je wordt van elke verantwoordelijkheid binnen de maatschappij ontdaan. Je kan je richten op dingen die essentieel zijn, die er – in je eigen beleving – echt toe doen. En de rest aan de kant schuiven. Ach, niemand neemt het je kwalijk, je bent immers ten dode opgeschreven, niet?
Maar er is ook een schaduwkant. Vanaf het moment van het vonnis worden je handen en voeten geboeid. Je realiteit wordt afgebakend, begrensd, je wordt opgesloten, in death row gezet. En je weet dat je in die begrensde tijd/ruimte moet proberen te gedijen. Je bent je er elk moment, en in alle omstandigheden, van bewust dat de scherprechter zijn bijl aan het wetten is, en je kan maar hopen dat ie zijn werk goed doet als het moment gekomen is. Of dat zijn bijl zo verschrikkelijk bot was dat ie er nog een tijdje zal over doen om ze scherp te krijgen voor de slag.
En terwijl je daar in je virtuele cel zit zie je anderen afgevoerd worden. Andere mensen die hetzelfde vonnis kregen, en die eerder aan de beurt zijn. Een vreemde gewaarwording is het te zien dat de werkelijkheid zò absoluut kan zijn. Geen relativering meer, geen nuances, geen troost, geen rationalisering, geen ‘ach, alles gaat voorbij’….
Je weet ook dat , als het je tijd is, je niets, maar dan ook niets zal kunnen doen, behalve proberen zo rustig mogelijk te blijven, en afstand te doen van alles. Alles.
Het enige wat je nog rest aan het eind, en waarmee ikzelf ook uit dit leven wil verdwijnen, is de liefde. De enige, o zo tere strohalm die de realiteit minder schrikwekkend kan maken. Als er één geschenk is dat ik meegekregen heb van de mensen die me grootgebracht hebben, en zij waarmee ik ben opgegroeid tot wat ik nu ben, dan is het dàt.
En ik wil de gedachte niet loslaten dat de liefde – in welke vorm ze zich ook aan ons openbaart – in en voor het leven òòk absoluut is. Dat ook zij geen verantwoording moet afleggen. En niet te ketenen is. Zelfs niet door de dood.